Joodse Schooltje op de bres tegen racisme en fascisme

 -  356


LEEK-Het Joodse Schooltje midden in het winkelcentrum van Leek is van dinsdag tot en met vrijdag ‘s middags geopend. Je loopt er voorbij en ziet dan de borden met de namen van de Leeksters die zijn afgevoerd en vermoord in de Tweede Wereldoorlog. Het is echt de moeite waard om even binnen te kijken. In een oase van rust word je door de gebruiksvoorwerpen herinnerd aan het Joodse leven in Leek. Zoals het winkelbord Denneboom of het metalen bord van dansleraar Heiman Israëls. Het schooltje houdt de herinnering levend en laat je beseffen dat de geschiedenis van deze verloren mensen zich nooit meer mag herhalen. De Samuel Levie Stichting die het museum beheert wil de voedingsbodem voor racisme en fascisme verkleinen en probeert meer begrip en respect te kweken voor andersdenkenden.

Maurits Valk (77) is vrijwilliger van het Joodse Schooltje in Leek. Elke dinsdagmiddag staat hij met zijn keppeltje op de bezoekers te woord. Het is heel bijzonder dat hij hier staat. Als Joods kind werd hij in de oorlog weggevoerd samen met zijn vader, moeder en vijf broers en zussen. Als enig groot Joods gezin uit Nederland overleefde het gezin de kampen Vught, Westerbork en Theresienstadt. ‘Littekens kun je niet wegwassen’ heet het boek dat Maurits over zijn oorlogsverleden en de gevolgen er van heeft geschreven.

‘Bewijs van Aanmelding’ afgegeven op 6 juni 1941. Het zit tussen de stapel foto’s die Maurits heeft meegegeven. Een klein document van ‘Valk, Mozes, geboren op 31 mei 1941, gem. Groningen’. Het is het bewijs dat Maurits, nog maar zes dagen oud, hiermee voldeed aan ‘den aanmeldingsplicht van personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’. Als je het zo leest en ziet dan geloof je toch niet dat dit ooit mogelijk is geweest. Het aantal Joodse grootouders staat er zelfs op: vier in zijn geval. Het bewijs is op 6 juni 1941 afgegeven en bezegelde het lot van Maurits en zijn familieleden.

De familie Valk woonde op een bovenwoning aan het Deliplein in Groningen. Eind 1942 stonden Duitsers met Nederlandse marechaussees voor de deur om het gezin op te pakken. “We moesten de volgende ochtend klaar staan. Volgens mijn vader was er sprake van een vergissing omdat wij geen bericht hadden gehad. Navraag door de marechaussees bij het Scholtenhuis in Groningen leerde dat dit inderdaad het geval was. Het gezin mocht blijven en dit is niet de eerste keer dat de familie door het oog van de naald kroop.

Begin januari 1943 meenden de bewoners van het Deliplein dat de familie alsnog werd afgevoerd. “Men was er van overtuigd dat wij als gezin met enkele bezittingen gezeten op een kar waren verdwenen door een van de drie poorten die het plein rijk is. Daar kwamen wij achter door de buurvrouwen. Zij verschaften zich toegang tot de woning door aan het touwtje te trekken dat uit de brievenbus hing. Ze kwamen kijken of er niet iets van hun gading bij was nu we toch waren afgevoerd. We waren gewoon thuis” Een week later stond er een NSB’er voor de deur. Die had de woning toegewezen gekregen omdat de bewoners op transport waren gesteld. “Uit navraag bij het Scholtenshuis bleek dat de familie Valk op transport was gesteld, rechtstreeks naar Duitsland.”

In maart 1943 meldde de vader van Maurits zich verplicht aan. Op 9 april vertrokken ze per trein naar kamp Vught. Het meest vreselijke kamp van Nederland, aldus Maurits, waar de vrouwen van NSB’ers en SS’ers een grote rol hadden. Maurits was een jongetje van twee jaar.

“In de krant stond dat joodse mensen zich moesten aanmelden. Mijn vader wilde uit principe niet onderduiken omdat hij geen andere mensen in gevaar wilde brengen,” vertelt Maurits zittend op de bank in zijn kamer. Boven hem hangen allemaal schilderijen van zijn hand. “Ik ben gaan schilderen op advies van mijn psychiater.

Maurits op de bank in zijn huis.

Dat helpt bij het verwerken van het verleden”. Dat verleden is getekend door honger, ziekte, onrecht, eenzaamheid, verdriet en overleven. “Eenzaamheid bleek het grootste trauma te zijn dat ik heb overgehouden van de oorlogsjaren. Alle ziektes en kwalen in mijn leven vinden hun oorsprong in de oorlog.

“Ik heb twee keer een aanval van kinderverlamming gehad, kreeg tuberculose en heb bijna de hele tijd in ziekenbarakken gelegen. Ik lag vaak alleen in het donker en zag vanwege besmettingsgevaar alleen een dokter. Mijn moeder kon me in die tijd niet troosten. Ik heb de moederliefde gemist op een leeftijd dat je die hard nodig hebt.”

Vanuit Vught werd het gezin op transport gezet naar Westerbork. Dit was een zogenaamd ‘doorgangskamp’ waar Joden werden verzameld voordat ze naar een vernietigingskamp in Duitsland of Polen werden afgevoerd. Hier hoorden ze dat vanuit Vught alle 1300 kinderen op transport naar Westerbork waren gezet en direct werden doorgestuurd. Later bleek dat ze naar Auschwitz waren gestuurd en meteen vermoord. Ze waren eerder op transport gezet als straf omdat ze meer dan drie kinderen hadden. Dat Maurits en zijn broers en zussen net op tijd weg waren ziet hij welhaast als een bovennatuurlijke Goddelijke macht die hen heeft beschermd.

Westerbork

Vanuit Westerbork vertrok elke week een trein naar een vernietigingskamp. Maurits zijn vader had gehoord dat gedoopte Joden ‘wat voorrecht genoten’. Het gezin had zich al in 1936 aangesloten bij het kerkgenootschap Zevende dag adventisten. Maar die kenden geen kinderdoop. Hij schreef hierover een brief naar het Uniebestuur van deze kerk. Maar hij hoorde niets terug en bleef brieven schrijven. Naar later bleek werden de antwoordbrieven door de Joodse ordedienst onderschept.

Toen vader maar brieven bleef schrijven, kwam de voorzitter van de kerk, dhr. Eelsing, naar Westerbork om met de kampcommandant te spreken over de doopbewijzen. Hij werd door de bewakers niet doorgelaten maar liep toch door naar de ingang van het kamp. Daar kreeg hij ruzie met de bewaker die hem niet toeliet. Kampcommandant Gemmeker liep net in de buurt en vroeg wat er aan de hand was. Gemmeker wilde wel praten en beloofde aan Eelsing dat hij Maurits en zijn broertjes en zusjes vanwege ontbrekende doopbewijzen niet op transport zou zetten. Geregeld heeft Gemmeker de namen van de familie Valk van de transportlijst gehaald.

Het is ook een wonder dat ze vanuit hier nooit zijn afgevoerd naar een vernietigingskamp

In september 1944 werd de familie toch op transport gezet, naar Theresienstadt in Tsjechië. Het is ook een wonder dat ze vanuit hier nooit zijn afgevoerd naar een vernietigingskamp. Vader Valk was een principieel man die weigerde op de sabbat (zaterdag) te werken. De directrice van het kinderweeshuis was verplicht om dit te melden. Maar zij vulde op het werkbriefje in dat hij wel op de zaterdag had gewerkt. Toen zij afwezig was besliste een andere directeur dat hij wel moest werken. Hij dreigde met transport als er niet werd gewerkt. Gelukkig hoorde de eerste directrice van de bedreiging en meldde dat Maurits’ vader vrijgesteld was. “Ik kan het zelf ook niet begrijpen dat het elke keer zo is gelopen,” zegt Maurits.

Met het naderen van de Russen in het voorjaar van 1945 wilden de nazi’s alle Joden in Theresienstadt nog vermoorden. De kampbewoners moesten zelf een gaskamer bouwen en een executieplaats inrichten. Maar de Joodse arbeiders hebben de werkzaamheden niet uitgevoerd en zijn gaan staken. Dat redde vele levens waaronder die van de familie Valk.

3 aanbevolen
56 views
bookmark icon

Geef commentaar

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *